Organisatiecoaching: Innovatie en de vernieuwingskracht van taal

Innovatie en de vernieuwingskracht van taal

 

Aan de mensen is de taal gegeven. Het is een mogelijkheid om elke situatie te vernieuwen. Taal heeft vernieuwingskracht die te weinig, of onvoldoende wordt gebruikt.  De relatie tussen taal en innovatie wordt hier nader toegelicht.

 

"Het leven gaat niet over het temperen en onderdrukken van jouw door God gegeven levenskracht. Het gaat over het ontdekken, verduidelijken en het kanaliseren ervan. Het concentreren en het loslaten op iets moois, iets puurs en waars…"  – Vrije interpretatie van Rob Bell.

 

Elders op deze site is ‘taal’ al kort toegelicht als een perspectief (aspect) op de werkelijkheid (zie link). De  potentiële vernieuwingskracht van taal vraagt om aparte aandacht. Om u ‘achter’ de betekenis van taal te laten komen moet ik u ‘een eindje’ meenemen in het innerlijk van de mens. Lastig maar wel leerzaam.

 

Innovatie; het laten ontstaan van betekenis

Hoe mensen presteren hangt nauw samen met hoe zij op situaties reageren. En waarom mensen zó reageren is afhankelijk van hoe zij de situatie interpreteren. Hoe een situatie op iemand overkomt ontstaat in taal. Een interpretatie (waarneming) is een persoonlijk beredeneerd én doorvoeld (emotioneel) oordeel over de betekenis van het woord dat iemand hoort. De mens kan de hem omringende dingen benoemen, er symbolen, betekenis aan geven en zo met anderen communiceren in taal. Taal transformeert de manier waarop situaties op mensen overkomen. Taal is een spiritueel vermogen: het heeft de kracht om te inspireren en de werkelijkheid opnieuw vorm te geven. 

 

Een interpretatie, ‘gekleurd’ door emotie, komt voort vanuit onze innerlijke oriëntatie, welke bestaat uit de drie dimensies; het kennen (cognitief; het denken; overleggingen en inzichten) de verbeelding (creatief) en het willen (conatief; bewuste keuzes en beslissingen) Deze drie vermogens grijpen, werken  (samenwerking) op elkaar in. Daarbij komt dat een ieder van ons zich niet bewust is dat hij een stel hersenen heeft met een eigen unieke verwerking van informatie naar betekenis. Deze vermogens zijn met elkaar verbonden vanuit het hart. De betekenis van elke waarneming, dus hoe een situatie op iemand overkomt, wordt uitgedrukt in taal. Dat wat bewust wordt uitgesproken en schriftelijk en/of mondeling wordt gecommuniceerd. Er is ook een deel van taal die buiten het licht van onze aandacht valt. Dat wat onbewust, onuitgesproken maar wel gecommuniceerd wordt door hoe we ons gedragen. Ook dit komt voort uit onze kern (hart) wie we, ten diepste, zijn komt in iedere ontmoeting naar buiten.

 

Taal heeft de kracht om te inspireren en kan de liefde (opnieuw) laten ontluiken. Het hart, en onze innerlijke oriëntatie, wordt door liefde ontsloten. Onze innerlijke oriëntatie én de benoemde drie vermogens zijn de sleutel tot elke prestatie!

 

Innovatieve lessen voor leidinggevenden:

Hoe een mens presteert hangt samen met hoe hij een situatie interpreteert. Wie begrijpt dat mensen verschillend reageren op situaties kan die kennis gebruiken in zijn feedback op anderen. Een leider zou zijn medewerkers moeten helpen zich weer meester te maken van hun situatie, zodat zij zich weer medeverantwoordelijk voelen voor de toekomst van het bedrijf.

Hoe een mens een situatie interpreteert wordt uitgedrukt in taal. Leiders luisteren naar anderen en managen de communicatie. Iedereen moet ruimte krijgen om zijn wensen en klachten te uiten en daarmee een helderder beeld van zijn mogelijkheden te krijgen.

Wie zijn taal toekomstgericht maakt, verandert de manier waarop hij de situatie interpreteert. Taal heeft de kracht om te inspireren en een nieuwe werkelijkheid vorm te geven. Leiders moeten anderen inspireren om gezamenlijk de toekomst te creëren.


Het toepassen van deze drie lessen geeft resultaat; de transformatie van een situatie, met een drastische verbetering van de prestatie.

 

Innovatie; het interpreteren, taal en toekomst

Gaat de mens nadenken over zijn situatie en  problemen-oplossen dan is dit een bewust interpretatie van een situatie waarbij een aantal ‘factoren’ in ogenschouw worden genomen. Allereerst de context; onze perceptie, de mentale (emotionele) én innerlijke gesteldheid waarvan uit we een min of meer systematische, bewuste, mentale vergelijking van informatie maken om tot de oplossing van problemen te komen. Middels dit gereflecteerde bewustzijn, welke onderworpen is aan de wil, kiest men zich de te overwegen voorstellingen uit, beslist men wat men zich voor de geest (in,- ver, beelden; de creatieve dimensie) wil halen, wat men met elkaar wil vergelijken, ordenen, overpeinzen, aanschouwen en betekenis (taal) wil geven. Menselijk denken betekent; een reeks van voorstellingen in de spirituele structuur bewust op elkaar laten volgen om verbanden te vinden, conclusies te trekken.

 

Creatief denken betekent dat men (nieuwe) voorstellingen in een nieuwe context kan ‘zien’. Los van de mate van het betreffende denkvermogen zijn er allerlei ‘factoren’ van invloed op de ‘helderheid’ van het betreffende denken. Bijvoorbeeld het ‘scherm van onze voorstellingen’ is altijd ‘verkleurd’ door onze vooroordelen. Of een belemmerende overtuiging vernauwd onze mentale (emotionele) én innerlijke gesteldheid. Hieruit maken we op dat ons denken zich niet onttrekken aan een ‘proces’ wat ordelijk dient te verlopen. Ons kennen is gericht op het doorgronden van ons bestaan. Een ordening, een verhouding, die in alle aspecten van de werkelijkheid optreedt. De ‘hoogste uitdrukking’ van kennen is de liefde. De ‘onderlaag’ (terug verwijzing) van liefde is licht. Een goede werking van het ‘scherm van onze voorstellingen; onze verbeeldingskracht is afhankelijk van dit licht (kennen). Daarom is, de eenheid, van de innerlijke vorming, van het hart, door de liefde, bepalend voor het kennen van de werkelijkheid. Dit komt tot uitdrukking in ‘fragmenten’; de voorstelling, de beelden die de beweging van het kennen bepalen. Dit is een liefdesbeweging, gebonden aan innerlijke zin en waarde. Alles, alle aspecten van de werkelijkheid, zo is elders beargumenteerd heeft een bepaalde zin, heeft een kern(begrip) en is van waarde.  Deze beweging van het kennen, deze dynamiek laat zich typeren. Ze kan traag, hard of onbuigzaam zijn of ze toont een soepelheid dat zich tegelijkertijd krachtig richt op dat wat beminnenswaardig is. Ze verenigd onze neigingen en strevingen (intentie), ze richt het hart, Ze uit zich in zinvol handelen vanuit een ‘brandpunt’ een samengevoegd hart.  Een leven krijgt zijn betekenis en inhoud in toenemende mate naar dat het zuiverder en vollediger handelt en het doorleefd. Zó wordt al gaande weg inzicht verkregen in allerlei situaties, in dat wat gedaan moet worden (keuze) om iets of iemand ‘waardevoller’ te maken en hoe er overeenkomstig gehandeld moet worden (actie én gedrag). Om iets waardevoller ‘te maken’ wordt er een krachtig ‘functioneel’ aspect uit een ‘wereld die vol is van relaties’ toegevoegd. De taal is nodig om hieraan de nieuwe betekenis te kunnen geven.

 

Innovatie is vernieuwing door taal

God heeft de wereld de werkelijkheid geschapen door het Woord. Dit Woord is Waarheid. Taal is werkelijkheid op zich. Guardini:  “Het woord doet de relatie tussen werkelijkheid en de waarheid oplichten”. De Waarheid is de Levende God. De taal is gegrond in God zelf. God is de eerste Spreker die aan het begin van alles staat. Het Woord heeft hetzelfde wezen als de Spreker. De mens is beeld van God. Het spreken maakt zijn wezen uit. Drukt het innerlijke waarachtige gehalte van de mens uit. De taal is volwaardig draagster van de waarheid. De taal maakt het mogelijk dat de Waarheid aan de mens wordt medegedeeld. De mens is zó drager van de waarheid die werkelijkheid is. De taal maakt het voor de mens mogelijk om de waarheid mede te delen.

 

Innovatie en de ideeënleer van Augustinus, Pascal, Guardini en Dooyeweerd

Het creatieve proces is sinds enige jaren onderwerp van serieus wetenschappelijk onderzoek. Dit onderzoek richt zich, in bijna alle gevallen, op de hersenen. Het hart blijft buiten beschouwing. Onze hersenen is een wonderlijk mooi onderzoeksterrein, echter onze ideeën zijn meer dan de uitdrukking van ons ‘breinwerk’. Een goed idee is heel wat meer dan ‘een ping bij een bepaald ding’.

Ideeën en vernieuwing is de ‘bouwstof’ van Gods schepping. Voor Plato, Augustinus, Pascal, Guardini en Dooyeweerd zo fundamenteel dat zij dit hebben ontwikkeld in een ideeënleer/kennistheorie. (Pascal) Inzicht in dit grootse denkwerk geeft beeld bij wat nodig is om tot innovaties te kunnen komen.

Ideeën zijn de uitdrukking van God, van zichzelf als beeld waarmee Hij wil deelhebben aan zijn schepping. Waarmee Hij zijn eigen wezen en waardigheid in alle volheid kenbaar maakt.  De ideeën zijn dan ook eindige, tijdelijke en begrensde weergaven, waarde-kernmerken (Guardini en Dooyeweerd ‘wezenskern’) en verwijzingen naar haar Schepper. Voor ons mensen zijn ideeën ‘glimpen’ van eenvoud die ‘oplichten’ oplichten in ons hart en hersenen en doorwerken, die geldingskracht hebben in de complexiteit van de werkelijkheid. Vanuit God zijn ideeën ‘glimpen’ van zijn Majesteit en Heerlijkheid en haar kenmerk is Waarheid. Ideeën  zijn ‘de waarheid’ van de dingen, een ordening en uitdrukkingsvorm. Elk uiterlijk ding drukt iets innerlijks uit, en draagt een waarde. Hoe groter de in het ding verwerkte spanning hoe groter en rijker de uitdrukkingsvorm. Bijvoorbeeld een diamant) Voor de mens betekent dit;  hoe ‘nobeler en deugdelijker’ de opdracht hoe hoger de innerlijke spanning die verdragen moet worden en hoe meer moed er nodig is om dit te aanvaarden. Waaruit ook de liefde tot de opdracht zal blijken. Liefde openbaart haar grootste ‘spankracht’ in de ‘vereniging’ tot deze taak. Dit is het spanningsveld waarin verantwoord en deugdelijk handelen wordt gevormd. Haar kenmerk is karakter.

Wanneer ik een vorm, een ding met de ‘oppervlakkige’ zintuigen ‘vat’, heb ik het niet echt leren kennen, maar slechts een ‘vluchtige’ indruk er van gekregen. Werkelijke kennis betekent, dat ik met al mijn geestelijke (mentale) kracht de eeuwige wezenskern van het voorbijgaande vat, en dat is: de idee ervan. Hoe gebeurt dat dan? Dit begrijpen gebeurt in ‘lumine mentis’, door een inwendig licht; het stralende binnendringen van de ‘waarheid van de dingen’ (eeuwige ideeën) in de geest. De verbeelding, de voorstelling van het geestelijk licht, dat aan het begrijpen voorafgaat (occur; verschijnen). Dit is het veroveren van ‘de waarheid’ als een innerlijke vreugde . Het gaat hier om meer dan een beeld. Hier ligt de oorsprong van het begrip ‘levende geest’, levend als tegenstelling tot formeel, logisch, abstract... Het woord licht drukt een vorm van geestelijke ervaring uit, die op geen andere wijze is weer te geven. In bovenstaande tekening is de positionering van de ‘voorstelling’ geplaatst. Deze is direct voor het hart geplaatst. Er bestaat een ervaren van de waarheid, dat een ervaren van licht is. In dit licht straalt de idee, het wezenlijke, de waarde, de betekenis, in de geest door. Doordat de idee in en oorspronkelijk uit God ‘is’, betekent kennis, dat er op de één of andere manier een contact met God is. In de kennis en intuïtief beroert en raakt God de geest met de idee, dat wat Gods reële, oorspronkelijke gedachte is van en over het betrokken ding of vorm. Hier komt terug het verwoorde (zelf)inzicht van Augustinus: God heeft al van voor alle tijden een gedachte, een idee (!) over en met mij.

 

De idee is ook de betekenis- en schoonheidsnorm van een ding en een vorm. Kennen is dus niet alleen het begrijpen van de waarde, de waarheid ervan, maar ook het geraakt worden door schoonheid en waarde.  En daardoor is het liefde. Het stralende oplichten van de waarheid in het hart is tegelijk een warm worden, vreugde(!) een vlam (‘inflammari’) en een beweging (‘moveri’). Ze is het begin van een innerlijke beweging, het gegrepen worden door waarde en schoonheid. Hier zet de ‘vrije geest’ de waarachtige vrijheid, zich in beweging en deze beweging van vrijheid is liefde.

Het kennen is zoals gezegd, altijd op een of andere manier een ontmoeting met de liefde; het hart met zijn vrijheid geeft zich gewonnen, geeft zich over aan het waardevolle in deze voorstelling deze vormgeving.  Dit betekent een doorlichten het heldere zichtbaar maken van de betekenis. Dit doorlichten is activiteit van het hart en van daaruit naar het ethos van de mens. Het vermogen om juist te handelen. Ze is kunst, kracht tot heldere vormgeving; kracht wat dat schept, wat kan worden gezien met het hart en dit dan ook bemind. Hier is ook het geweten, de ‘zielevonk’ en dat wat genoemd is als het dienen met al onze krachten bij betrokken. Dit denken, deze verbeelding en dit willen verandert in een reële kracht tot vormgeving, een beweging, een mentaliteit, een handelen vanuit de levende vrije geest. Voorwaarde voor een open houding en een geïnteresseerde houding, voor verantwoord en met inzicht handelen. Een bestaansvoorwaarde.  Er bestaat een volgordelijkheid in het leven.  Deze laat zich niet zo maar kennen, maar alleen dan en overeenkomstig de mate en de intenties waarmee betrokkene er mee in contact treedt. Zo komt hier naar voren dat men met betrekking tot mensen en dingen en vormen een standpunt inneemt, dat er gelijkwaardig aan is. Bij het juiste kennen behoort de juiste vorming. Er is een hiërarchie in dat wat voor ons waarde heeft, zin geeft, onze genegenheid en liefde waard is. Zo is er ook een hiërarchie in de ontsluiting van kennis; er zijn verschillende niveaus van waaruit gekend wordt en ‘waar de kennende staat’ (bestaansniveau) Een gradatie van kennen die vandaag de dag vergeten is.

Deze ordening brengt een ‘beweging’ mee want het hogere kan alleen veroverd worden in liefdevol kennen. Wil het kennen zijn, dan is het kennen van hogere waarden, en zingeving vereist. Dit wil men zijn/haar bestaan op een bepaalde hoogte realiseren. Dit is een beweging, vanuit het hart door alles heen: innerlijk, de gedachten (de ideeën) het uiterlijk, het handelen en het creëren. Een geluidloze beweging al dan niet waarneembaar, wat afhankelijk is van de mate van haar (onweerstaanbare) kracht. 

 

Innovatie en opschudding veroorzaken

Door een houding van werkelijk aandachtig en onbevooroordeeld zoeken is de geest ontvankelijk voor het kunnen ontdekken van iets onbekends, van iets ongewoons, van iets wat we pas na de ontdekking ervan kunnen ‘herkennen’ als iets wat ons waardig is. Ook hier treedt Augustinus naar voren; dat ‘iets’ volgens een nieuwe ordening ontstaan vanuit het opschudden (cogitare) van bestaande denkbeelden. ‘Iets nieuws’ moet uit een zekere verstrooiing (vindingrijkheid) verzameld worden, waarom het ook in het Latijn cógere: samenbrengen heet. En voor wat in de geest, op deze zelfbewuste wijze wordt samengebracht, gebruikt men in het bijzonder het woord. (cogitare)  Een ‘opschudding’ van denkbeelden, het elkaar aan het denken zetten, waaruit het nieuwe  ‘neerdwarrelt’.

Het innovatief werken met taal en betekenis. Huidig neurobiologisch onderzoek bevestigd deze bevinding van Augustinus; onze hersenen leren door ze ‘op te schudden’. Hierdoor ontstaan nieuwe patronen (banen) in de neuronennetwerken van ons brein.

 

Innovatie en het doorbreken van gewoontes

De algemeen geldende opvatting is dat doelgericht gemotiveerd gedrag ontstaat doordat de wil op bewuste wijze inhoud, richting en intensiteit geeft aan ons gedrag. Henk Aarts onderzoekt de relaties tussen de eigen wil, ons denken, ons doen en de invloed hierop van de omgeving (context). Bijgaand enkele van zijn bevindingen die hij heeft genoemd bij zijn indiensttreding als professor (gedrags-wetenschap) te Utrecht op 15 mei 2006.

De omgeving, de context, waarin we ons bevinden speelt een belangrijke rol in het vormen van gewoontes en in doelgericht gedrag, en het onbewust nastreven en bereiken van doelen. Daarbij bepalend is dat of we iets willen doen afhangt van (onze drijfveren, waarden) hoe positief we het zelf vinden, wat we denken dat anderen ervan vinden (identiteit, imago) en of we onszelf in staat achten (competent) om het te doen. Wanneer onze gewoontes sterk ontwikkeld zijn (gewoonte-patroon) dan worden doelen bereikt zonder dat de eigen wil bewust betrokken is bij het kiezen en implementeren van een geschikte actie. Gewoontes ontstaan vanuit het herhaald uitvoeren van dezelfde handeling. Dit leidt tot geautomatiseerde cognitieve processen; processen die zonder bewuste aandacht  kunnen  verlopen  en  ons  kunnen  helpen  om  zonder  bewuste voornemens acties te kiezen en uit te voeren om onze doelen te bereiken  Waarbij het voornemen om een doel te bereiken automatisch leidt tot het selecteren en uitvoeren van gedrag zonder dat de wil daarbij aan te pas hoeft te komen. Met andere woorden, het gaat vanzelf en met gemak.

 

Innoveren en het geheim van elke professionele goochelaar

Wij geven betekenis aan het gedrag van de ander door er doelen aan toe te schrijven (attributie). Dit is los gekoppeld van de vraag of deze doelen de werkelijke oorzaak zijn van het geobserveerde gedrag. Mensen maken deze attributies spontaan en automatisch, en ze hoeven zich niet eens bewust te zijn van het feit dat ze de doelen afleiden van een onjuiste interpretatie. Deze  automatische  doelattributies  hebben twee functies. Ten eerste helpen ze ons te voorspellen wat de andere persoon mogelijk gaat doen om het doel te bereiken. Ten tweede kunnen de doelen die we afleiden bij anderen voor ons van betekenis zijn en ons motiveren om hetzelfde doel na te streven.

Onze sociale omgeving kan zó bij ons doelen aanzetten en op deze wijze onbewust doelgericht  gedrag in ons motiveren  Onze interactie met belangrijke anderen, zoals ouders en partners, maakt doelgericht gedrag in ons los dat we associëren met die anderen en onze relaties met hen. Maar niet alleen de sociale omgeving in de vorm van mensen kan ons onbewust motiveren om doelen na te streven. Bijvoorbeeld een geur motiveert ons om onze directe omgeving schoon te houden en op te ruimen wanneer het een puinzooi dreigt te worden, zonder dat we ons bewust zijn van de geur en het doel dat speelt. Het blijkt dat we onbewust een doel nastreven en dat we er tijd en energie voor vrijmaken om het te bereiken. Ons mentale systeem geeft automatisch een signaal af dat een doel wenselijk en nastrevenswaardig is om te bereiken. Het doel is als het ware positief geladen. Dat ons mentale systeem dit signaal kan afgeven komt omdat er in onze hersenen een associatie bestaat tussen het doel en positieve gevoelens. En we hoeven ons niet bewust te zijn van de aanwezige associatie noch van het signaal zelf. Sterker nog, de associaties tussen het doel en positief affect kunnen zelfs onbewust ontstaan. Als dan vervolgens het doel in ons hoofd wordt geactiveerd dan weten we, zonder dat we daar over na hoeven te denken, dat we het doel willen bereiken. Het laat zien dat we zonder nadenken bepalen en besluiten om tijd en energie te stoppen in het nastreven van een doel. Dit alleen als het doel een positieve lading heeft.  Dit doel wordt dan onbewust in ons hoofd ‘aangezet’, het spreekt ons werkgeheugen aan om met dat doel aan de slag te gaan. We hoeven hiervoor niet bewust te zijn dat het doel speelt. Het werkgeheugen reguleert de doelen die op een bepaald moment actief zijn als het ware uit zichzelf. Daardoor wordt in het werkgeheugen capaciteit opgeëist, waardoor er minder capaciteit overblijft voor andere taken. Dus, wanneer iemand zich doelgericht en gemotiveerd gedraagt dan kunnen we niet zomaar stellen dat die persoon zich hiervan bewust is. 

 

Innoveren door het veranderen van de context

Deze bevinding dat doelgericht gedrag door gewoontevorming volledig onbewust kan verlopen heeft tot de opvatting geleid dat we onze doelen niet altijd bewust zelf kiezen en nastreven. Echter, naarmate gewoontes meer doelgericht zijn en het gedrag complexer wordt, zijn er meer aangrijpingspunten voor sturing en verandering.  Deze gedragsverandering kan op verschillende manieren beïnvloed worden door iemand bewust te maken van waar en waarom hij zij ergens voor kiest (keuzecontext). Deze gedragsverandering via verhoogde aandacht voor de keuzecontext is er doorgaans op gericht mensen te stimuleren om een nieuwe afweging te maken. Dit niet door het veranderen van de persoon zélf, van zijn/haar (unieke) persoonlijke voorkeuren. Maar door de omgeving bewust activeren van een concurrerende doel. Dit drukt de werking van het eerder onbewust actief gemaakte doel weg. Daardoor wordt gewoontegedrag doorbroken en wenselijk doelgericht gedrag bevorderd. Gewoontes doorbreken is lastig en vergt precisie. Omdat  de fysieke en sociale omgeving doelen en de daaropvolgende uitvoering  van gewoontegedrag onbewust sturen, zijn er enkele mogelijkheden om gewoontegedrag te veranderen:

door de aandacht voor de keuzecontext waarin het doel speelt te verhogen, kunnen mensen worden  gestimuleerd om weer tot een afweging te komen

als mensen eenmaal openstaan voor het maken van afwegingen, kan via een (begeleidt) leerproces worden  geprobeerd de intentie tot het gewenste gedrag te vormen of versterken

deze intentie tot nieuw/ander gedrag kan worden  ondersteund door te oefenen waardoor uiteindelijk het nieuwe gedrag mogelijk wordt gemaakt;

dit proces kan worden verkort door de prioriteit van onbewuste doelen te veranderen door middel van activeren van concurrerende (wenselijke) doelen die het nieuwe gedrag inleiden.

 

Innovatie, taal en kenniscreatie

Welke ingrediënten en condities moeten aanwezig zijn zodat kennis wordt gecreëerd en doelgericht  kan worden aangewend voor het vermeerderen van waarde? Onderstaand een beschrijving van de fysieke, digitale en innerlijke ruimte waarin en hoe kennis wordt gecreëerd. Kennis; de ‘grondstof’ van innovatie.

 

De ruimte waarin kennis wordt gecreëerd.

Kennis ontstaat niet alleen wanneer mensen waarnemen, informatie verwerken maar ook in een gedeelde context die voortdurend in beweging is, waarin kennis wordt gedeeld, gecreëerd en gebruikt. Ze ontstaat op plekken waar informatie betekenis krijgt door interpretatie. Zo kan informatie kennis worden en nieuwe kennis wordt opgebouwd uit bestaande kennis via de verandering van de betekenissen en contexten. Deze ruimte kan zich voordoen in met name; personen, werkgroepen, projectteams, informele kringen, tijdelijke vergaderingen, virtuele werelden, zoals e-mailgroepen, en bij het contact met de adviesvrager. Deze ruimte kan allerlei fysieke, mentale en digitale vormen aannemen waarin kennis ontstaat en wordt gedeeld. Zoals een digitaal/virtueel netwerk, of een ontmoetingsruimte (trainingslocatie) waar de deelnemers hun context delen en nieuwe betekenissen creëren door middel van interacties en een gemeenschappelijke taal.  Bron; Nonaka en Takeuchi en het concept “Ba”.

Het is de taal die bemiddelt in de interactie tussen onze vermogens en hun omgeving. Het geeft onze communicatie betekenis en waarde. Kennis ontstaat daar waar woorden worden gedeeld. Op de plek waar openhartig met elkaar interpretaties, betekenissen, perspectieven, gevoelens, ervaringen en verhalen. De waarheid komt in het woord tot ons. Immers waar kennis ontstaat en aanvaard wordt is ze gericht op het kennen van de waarheid. De waarheid is het doel van kennis. Volgens Plantinga* is er voldoende waarborg dat onze kenvermogens betrouwbare kennis voortbrengen, wanneer die vermogens adequaat functioneren, gericht zijn op het kennen van de waarheid, binnen een daarvoor geschikte omgeving (context). Onze innerlijke oriëntatie moet gericht zijn op het produceren van ware betekenis en mening in de hierboven beschreven ruimte. Ze mag niet onderworpen worden aan een situatie waardoor het op iets anders gericht is dan de waarheid. *Bron; “De kentheorie van Plantinga; 1998.  Wat dat is het gericht zijn op de waarheid kunnen we leren van Blaise Pascal.

 

De ruimte van het hart; Blaise Pascal;

Pascals kennistheorie begint bij de wiskunde. De logische reden: iets dat waar is, als iets anders waar is (implicatief). Hij gaat ervan uit dat er een implicatief verband is tussen kennis en waarheid. Deze beginselen zijn zelfevident en men gevoelt ze met het hart. Het verlangen van het hart is gericht op het goede. Pascals verbindt zijn kennistheoretische opvattingen van het hart met die van Augustinus, die het hart met de wil verbindt. Daarvoor moet het raakpunt tussen waarheid en goedheid worden benut. De waarheid van het goede is niet alleen kenbaar, maar ook ‘wilbaar’. In het hart komen willen en kennen bij elkaar. Zoals er eerste beginselen van de kennis zijn, leven er ook eerste beginselen van de wil in het hart. God manifesteert zich in het mensenleven in de eerste plaats in de wil. Ons verlangen is bedoeld om op God gericht te zijn. In de gerichtheid op God ontvangt de mens samenhang en eenheid. Gods goedheid en waarheid geven ons hart en leven richting. Het hart is de ruimte voor de genade. Deze kennistheoretische benadering, die Pascal toepast in de moderne wetenschap, en al zijn uitvindingen, vormt nu ook het kader voor de wil. De wil heeft eveneens haar bijdrage in het hart. De wilstheorie wordt dus in het verlengde van de kennistheorie geplaatst. De mens kent en wil vanuit het hart. Voor Pascal draait het dus om het hart. De werkelijke beschouwing ontspringt vanuit het hart. Het hart vormt de ruimte van de genade, waarin plaats is voor vrijheid en verantwoordelijkheid. Binnen de eenheid (van het hart) is er plaats voor complexiteit én eenvoud. Met het hart geeft Pascal zijn totaalvisie op de mens. Kennen en willen worden vanuit dit centrum op elkaar betrokken. (Zie onderstaande tekening).  Door het lijden en sterven van Christus wordt, uit Gods genade, door de vernieuwende werking van Gods Geest; het kennen en willen op de Waarheid, het Woord betrokken. Zo wordt voor Pascal het hart de ruimte waarin God wordt ontmoet.

Totaal-adviseren

Edu Feltmann heeft jarenlang studie gemaakt van de relaties tussen taal, het denken en de problemen van mensen in (en buiten) organisaties.  (Edu Feltmann; Denkadviseren 2010). Een nadere bestudering van de schilder Margritte, dat wat geschreven is over zijn schilderkunst en de woordkeuze voor de titels van zijn schilderijen doet hem de ‘taal en tekens’ van de schilder/denker Margritte kennen en begrijpen. Waardoor allerlei tekstfragmenten van filosofen voor hem worden ontsloten. De verwondering voor de schoonheid van het werk van Magritte ontlokt hem de volgende uitspraak: “Bij het lezen van een dergelijke alinea valt mij de ‘schoonheid’ daarvan op, en ook de parallel van wat wordt gezegd met het ‘raadselachtige’ van wat er gebeurt tijdens ‘adviseren’. Het is immers die ‘toverkracht van het woord’ waardoor ‘adviseren’ voor de adviesvrager een ‘zingevende ervaring’ kan zijn! De ervaring van iets dat voorbij het woord ligt, van iets waarop de denkgewoonte van de adviesvrager nog geen greep heeft, want door het woord kan dat denken zich wel losmaken uit die denkgewoonte en een idee ontvangen van datgene wat aan de andere kant van de dingen ligt, dat wil zeggen: aan de andere kant dan die waarop de adviesvrager zijn denken had gericht en had gefixeerd als ‘probleem’.”

Dat wat Edu Feltmann denkadviseren noemt is een samenvoeging vanuit de taal,- kunst,- filosofie, poëzie, sport en management. In zijn methode zijn de volgende principes te onderkennen:

  • Omkering van heersende interpretaties en betekenissen
  • Het doen ontstaan van denkruimte(n) in het hoofd van de adviesvrager waarin nieuwe interpretaties mogelijk en acceptabel worden.
  • De keuze van het taalgebruik toont de adviesvrager dat diens perspectief niet het enige mogelijke is. Waardoor de adviesvrager uitgenodigd wordt ervaringen op te doen die buiten zijn/haar ordening ligt.
  • In het ‘hier en nu’ kan de adviseur een ‘omgekeerde’ of geheel afwijkende interpretatie als mogelijkheid naar voren brengen en naast de heersende opvattingen plaatsen.
  • De poëzie in het woord, het ‘ontstroeven’ van de ‘imaginaire grenzen’ die het gangbare taalgebruik stelt aan de verbeelding.

 

Allerlei modale aspecten worden door deze methodiek als ‘snaren én toetsen’ aangeraakt zodat de juiste ‘toonhoogte’ aan de binnenzijde van de adviesvrager ontstaat.

Deze methode, het denkadviseren is voortgekomen uit het ‘driedimensionaal denken’. Dit denken onderscheid de volgende niveaus waarop adviseurs moeten kunnen interveniëren:

  1. Onder monoparadigmatisch adviseren verstaat Feltmann probleemoplossend adviseren. Hierbij accepteert de adviseur een monoparadigmatische zienswijze van de adviesvrager op de werkelijkheid en helpt oplossingen aan te dragen voor zijn problemen zoals die passen binnen zijn paradigma's. (Eerste laag; enkelvoudig perspectief)
  2. Multiparadigmatisch adviseren is kaderverruimend adviseren. In de tweede dimensie wordt de klant gestimuleerd tot verbreding en verdieping van zijn kijk op de wereld door daar multiparadigmatisch, vanuit verschillende paradigma's, naar te leren kijken. De adviseur draagt daartoe niet zelf oplossingen aan maar stimuleert tot kaderverruiming en aanvulling van vertrouwde, cultureel geconditioneerde en verankerde zienswijzen met andere paradigma's. (Tweede laag; meervoudige perspectief)
  3. Met metaparadigmatsch adviseren bedoelt hij persoon ontwikkelend adviseren. Daarbij richt de adviseur zich op de identiteits- en zelfbeeldontwikkeling van de adviesvrager (als persoon, niet als functionaris), door te attenderen op fixaties en patronen in het waarnemen en denken door de adviesvrager. Het doel van deze wijze van adviseren is deze fixaties op te heffen waardoor de adviesvrager kan loskomen van bepaalde ‘vastzittende beelden’ van mensen en situaties (actoren) en zich vrijer kan bewegen in het spel met anderen. (Derde laag; veelzijdige perspectief)

Mits goed toegepast, toetst deze methodiek: legitimiteit, bekritiseert én werkt het in op het (zelf)bewustzijn van juist(heid), van wat eerlijk en oneerlijk is (juridisch)  Ze wakkert het verlangen aan om het goed te doen (weldoen), daardoor vergroot ze het ethisch (zelf)bewustzijn. En de heersende opvattingen, de (levens)visie komt ter discussie te staan. Ze toetst ook, de waarde van, dat waarin wordt geloofd, dat wat vertrouwen geeft.

 

Een goede toepassing is de ander (on)bewust meenemen op een zoektocht naar een “poëtisch moment” het vormende en scheppende moment. Het denken van de ander brengen naar daar waar het ‘naast de eigen grenzen tast’ . Dat wat men daar vindt samenvoegt, zich voorstelt, dit ‘nieuwe fenomeen’ in het denken aftast, daar wordt de kiem gelegd waarin nieuwe gedachten (ideeën) zich verder ontwikkelen, zin-en-hoogte krijgen, steeds rijker wordt en uitgedrukt wordt in de erkenning er van. Een productief en creatief proces’ met een uitkomst die waarde heeft.

 

Edu Feltmann sluit zijn boek af met de onderstaande opstelling van twee vormen van beschaafdheid: enerzijds het gras; zij die (innerlijk) spelen en anderzijds de knikkers; zij die knikkeren ‘om de knikkers’. Deze, onderstaande rijtjes laten zien dat het heel moeilijk is om innerlijk beschaafd te knikkeren! Feltmann wil graag de vraag beantwoorden "hoe kunnen wij onze organisaties 'schitterend' maken ?" 

 

 

 

 

"Gras" (innerlijk beschaafd)


'Niet' doen, in rust zijn
Voorzichtig, eerbiedig, beleven
Moeiteloos, energiek
Aandachtig, receptief, ontvankelijk
Omzichtig, bedachtzaam
Vreugdevol genieten
Sensitief, fijnzinnig
Zorgzaam
Bescheiden
Besef van genoeg
Wijs, volwassen, compleet
Gastvrij, elkaars gelijken
Gastvaardig adviseren
Vriendschap bieden
Geheim, raadselachtig, vaag, traag
Belangeloos, verwonderen
Parresia,(vrij-moedig spreken) Rhetorica
Poëzie en poëtica
Waardig, beamend leven
Levenskunst

"Knikkeren" (cultureel beschaafd)


Iets doen, werken, bewegen
Onderzoeken, ontdekken, weten
Resultaatgericht, inspannen
Strategisch, ingrijpen, sturen
Resoluut, structurerend
Efficiënt functioneren
Rationeel, instrumenteel
Concurreren
Onderscheiden
Meer, anders, beter, groter
IQ, EQ, Competent
Selectie, hiërarchie erkennen
Professioneel implementeren
Klantgericht opstellen
Transparant, helder, scherp, snel
Belangrijk, verantwoordelijk
Rapporteren, Presenteren
Bedrijfskunde en MBA
Zingevend, nuttig bezig zijn
Leiden, Besturen, Managen

De kunst van 'adviseren' is om in de adviesvraag dit geworstel van de adviesvrager met 'gras' en 'knikkers' te horen ! Om te horen dat en met welk denken een ondernemer of een leidinggevende zijn 'grasveld' vergeet te onderhouden. De aanname daarbij is dat ieder mens van nature 'innerlijk beschaafd' is en wil zijn, maar dat mensen in onze arbeidscultuur worden verleid tot knikkeren 'om de knikkers', in plaats van om het spel.

 

Totaal-adviseren betekent: de 'knikkerende' mens, die advies vraagt, helpen zich te 'ontstroeven' , zodat er ruimte komt voor ‘het spel’. Dit niet door hen alleen de taal van het gras te bieden maar ook inzicht te geven in het gedrag van de spelers én in het spel.

 

Sociale innovaties gaan vooraf aan technische innovaties

Technische innovaties kunnen alleen slagen als ze vooraf zijn gegaan door sociale innovaties. Dit wordt nader uitgewerkt en onderbouwd in het ‘begrippenkader’ 

 

 

Het aanpassen of vernieuwen van een organisatie te zien als een brug in aanbouw. Deze brug is nog niet verbonden met de zichtbare ‘overkant’. 

 

 

Wenselijk

              Mogelijk

Werkelijk

 

Idee; de gewenste toekomst

Gedachten

Verlangen, visualisatie

Veranderambitie

 

Bespreekbaar maken

Laten beleven; ervaren

Knutselproces

Paradoxaal; gedoe en geluk

 

 

             Het werk van alledag

             Feiten

             Concreet en uitvoerbaar

 

Al bouwend moet je met elkaar hier overheen zien te komen om je doel te behalen.

U wilt iets veranderen; laten ervaren dat het ‘nieuwe werkt’ en tegelijkertijd wilt u voorkomen dat het terugschiet naar hoe het was; ‘het oude vertrouwde’

het verbinden van onze verlangens, dromen, ideeën, visie enerzijds en de  dagelijkse ervaringen, de weerbarstige werkelijkheid, de praktijk van alledag anderzijds.

 

U wilt dat de verandering onomkeerbaar wordt. Het is het deel van de verandering waar veranderideeën gaan schuren met het gewone werk. Dit is het cruciale moment waarop een verandering slaagt of niet slaagt. Het is het moment dat de verandering zichtbaar moet worden in nieuw organisatiegedrag.

 

Om deze methode uit te kunnen leggen heb ik ‘verandertaal’ gebruikt. Deze taal is noodzakelijk om ‘het nieuwe’ met elkaar vorm te kunnen geven. Bron; “Onomkeerbaar” Leike van Oss & Jaap van ’t Hek; 2016.

Deze taal geeft uitdrukking aan een sociale innovatie die ingedeeld wordt in; het Wenselijke, het Werkelijke en het Mogelijke. Het Wenselijke is de gewenste toekomst, zoals gevisualiseerd in de veranderambitie. Het Werkelijke is het werk van alledag. Beide zijn op hun eigen manier aanwezig in een bedrijf; het eerste in gedachten, het tweede feitelijk. Beiden zijn wel te onderscheiden maar wederzijds afhankelijk (onafscheidelijk) van elkaar. Als beide werelden in hun eigen domein uitsluitend hun eigen vermogens inzetten wordt een verandering niet gerealiseerd. Dan zou de ervaringswereld immers alleen maar mogelijkheden binnen de eigen, bestaande, vertrouwde werkelijkheid zien. En de ideeënwereld zou alleen maar ambities, dromen en verlangens produceren. Iedere geplande verandering heeft daarom te maken met het fundamentele verschil tussen de logica van de Wenselijke en die van de Werkelijke wereld. Als het niet lukt dat verschil productief te maken, dan smoort de verandering in onbegrip tussen beide werelden. Als het lukt om het verschil om te zetten in een creatieve spanning (Bron; Senge “Vijfde discipline”), dan ontstaat een creatieve ruimte die het zoeken naar overbrugging mogelijk maakt. Voor die ruimte is een derde vermogen nodig: mogelijkheidszin. Mogelijkheidszin is het pragmatisch vermogen om pendelend tussen wens en werkelijkheid realistische oplossingen te vinden voor het realiseren van je verandering. Het is het vermogen om veranderambitie enerzijds en realisme en behoudkracht van het bestaande anderzijds met elkaar te vervlechten.

Er is een gemeenschappelijke taal die bovenstaande paradoxale opspanning begrijpelijk maakt, de taal van het Mogelijke. Het Mogelijke is voor de ervaringswereld bespreekbaar (ze zijn daar gebaat bij realisme) en voor de veranderwereld noodzakelijk (want veranderen is alleen zinvol als het ook realiseerbaar is). Het Mogelijke dient zich soms heel eenvoudig aan, maar vaak is het zoeken naar het Mogelijke een geweldig knutselproces, paradoxaal van aard waarin dilemma’s met elkaar moeten worden opgelost. Een proces van vallen en opstaan, tegenvallers en successen, gedoe en geluk, droom en daad horen bij het realiseren van het Mogelijke. Oftewel het organiseren van dat onomkeerbaarheidsmoment dat maakt dat de verandering echt ingebed wordt.

 

Het verschil tussen veranderidee en de realiteit van de ervaringswereld levert een spanning op die u met mogelijkheidszin productief kunt maken. Maar het productief worden van die spanning is geen vanzelfsprekendheid. Te lage spanning geeft geen energie. Te hoge spanning zet de zaak vast of leidt tot onoverbrugbare tegenstellingen. Met mogelijkheidszin doseert u die spanning. U werkt aan
mogelijkheidszin door openlijk te werken aan de dialoog tussen het Wenselijke en het Werkelijke. Je moet ze dan beide wel echt stem durven geven en benutten. Het testen van het Mogelijke gebeurt uiteindelijk door het te doen.

 

 

Opmerking;

Deze methodiek is vanuit 1-dimensie beschreven; transformaties bewerkstelligen die onomkeerbaar zijn. Synergie en Contact vormen de andere twee. Deze drie dimensies beïnvloeden elkaar wederzijds én scheppen de ruimte voor sociale innovatie.

 

Het gesprek; pratend pendelen

De wereld van de wens is een praatwereld. Maar de ervaringswereld kan dat ook en praat terug. Pratend pendelen is een van de strategieën om een verandering mogelijk te maken. Dat doet u met interventies waarin elkaar begrijpen door gesprekken centraal staat. Dit pendelen gaat met name over het kweken van inzicht en begrip over en weer.
Gedurende de hele verandering pendelt u tussen twee werelden, zorgt u ervoor dat ze elkaar productief kunnen beïnvloeden, dat u lessen trekt uit de ervaringen in de ene én in de andere wereld. En steeds vraagt dat aandacht voor zowel het goede gesprek; praten, handelen, als aandachtig volhouden.

 

Het Wenselijke en het Werkelijke op elkaar betrekken gebeurt pendelend. Steeds neemt u wat mee van de ene wereld naar de andere. U probeert de kracht van de wenselijke verandering te verbinden aan de uitvoerbaarheid in het Werkelijke. Beeldende taal is belangrijk in het verbinden van beide werelden. Maar let erop dat pendelend praten ook een mogelijkheid biedt om te voorkomen dat er nieuw handelen ontstaat. U bent dan aan het praten zonder dat er iets gebeurt. Uitproberen en ervaring opdoen is belangrijk. Maar let erop dat zelfs als iets werkt, het nog niet onomkeerbaar ingebed is. Pendelen betekent u zich echt wat aantrekt van de reacties uit beide werelden. Die reacties zijn leidend, niet het veranderprogramma Op grond van die reacties bouwt u aan de verandering.

Het begrijpen van beide werelden is noodzakelijk om de overbrugging te kunnen realiseren. Alleen met een doorleefd begrip van zowel de bestaande operatie als van het toekomstidee lukt het een veranderdynamiek op gang te brengen die het veranderidee naar de werkpraktijk brengt. Begrip gaat verder dan cognitief begrijpen; het gaat ook om doorleven en doorvoelen. U hebt niet alleen een helder logisch brein nodig, het vraagt ook om empathie: het vermogen van het hart om in te kunnen voelen en  u voor te kunnen stellen (verlangen en verbeelding) hoe verschillende perspectieven de verandering beïnvloeden. Lukt dat, dan ziet u dat uw eigen perspectief maar een van de vele mogelijke manieren van kijken en waarderen is. Behalve dat u het zelf snapt, is het voor het proces van belang dat anderen snappen dat u het snapt….en dat u hen snapt. Dus gaat het ook om zichtbaar luisteren en in gesprek zijn met de beide werelden.

 

In wat u doet, wordt zichtbaar dat u beide werelden invloed op elkaar laat uitoefenen. U helpt de inzichten vanuit de ervaringswereld te vertalen naar de verandering. U weet omgekeerd te helpen om veranderideeën zo vorm te geven dat ze praktisch hanteerbaar worden.